Op de hoogte gehouden worden?
Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief.

Nieuws / Arbeidsmarkt / 27 juni 2018

Naar een new deal voor de arbeidsmarkt

OPINIE | De arbeidsmarkt van bovenaf aansturen wordt steeds lastiger. Nationaal en regionaal kunnen beter een ‘new deal’ sluiten. De regionale economie vaart er wel bij.

door Ton Wilthagen 27-6-18

Het sociaal-economisch beleid in Nederland kende na de Tweede Wereldoorlog een stevig centralistisch karakter. Dat lag ook voor de hand in het licht van de wederopbouw van het land én de opbouw van de verzorgingsstaat, zoals die zich zou gaan ontwikkelen. Het Rijk hield lange tijd de touwtjes in handen in de loonpolitiek. Organisaties als de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad (SER) werden opgericht en gingen de basis van het Nederlandse overlegmodel vormen, waarin de sociale partners – werkgeversorganisaties en vakbonden – een grote rol kregen.

Scholing

Centrale afspraken, zoals sociale akkoorden, aanbevelingen en adviezen, waren lange tijd richtinggevende kaders voor de onderhandelingen en afspraken op sectoraal niveau. Op cao’s wordt nog wel gecoördineerd, zoals dat heet, maar cao-partijen zijn behoorlijk autonoom in het vaststellen van arbeidsvoorwaarden, zoals scholing en ontwikkeling. Daarnaast kende en kent ook Nederland een arbeidsvoorzieningsorganisatie, nu het UWV. Die arbeidsvoorziening is de afgelopen 70 jaar op allerlei manieren aangestuurd: van centraal tot gewestelijk en van tripartite georganiseerd tot redelijk zelfstandig en weer sterker publiek.

Bovengenoemde instituties en organisaties bestaan nog steeds. Maar hun positie, rollen en betekenis zijn niet onveranderd gebleven. Daarmee is de overtuiging sterk afgenomen dat het mogelijk en effectief is om de arbeidsmarkt van bovenaf aan te sturen. Het sluiten van een sociaal akkoord op nationaal niveau blijkt inmiddels een krachttoer die ondanks de wens en inspanningen daartoe niet gemakkelijk meer uit te halen is. Er is maar één controversieel onderwerp voor nodig, zoals flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt, en de deal is ‘off’. Bovendien is de scope van de arbeidsmarktinstituties beperkt geraakt, omdat zij een slechte dekking hebben wat betreft ‘anders-werkenden’, zoals flexwerkers en zzp’ers, en langdurig werkzoekenden. Dat geldt onder meer voor de toegang tot scholing en ontwikkeling.

Personeelstekorten

Tegelijkertijd bruist het meer dan ooit in de Nederlandse regio’s, dus van onderop. Die regio’s, die juist geen (grond)wettelijke positie kennen, zien maar al te goed dat de arbeidsmarkt de achilleshiel is van hun economie en welvaart en dat scholing en ontwikkeling van álle inwoners de achilleshiel vormen van de arbeidsmarkt. Technologische ontwikkelingen, zoals digitalisering en robotisering, demografische veranderingen (krimp, migratie), de onzekere internationale situatie en de klimaat- en energietransitie zijn disruptieve factoren die keihard uitwerken op regionaal niveau. Grote personeelstekorten, mismatches, maar ook een enorme arbeidsreserve zijn het resultaat. Uitdagingen kunnen kansen blijken en niet slechts bedreigingen, maar daarvoor zijn handelingsperspectief en handelingssnelheid noodzakelijk.

Bovenstaande situatie is rijp voor een ‘new deal’, waarin het nationale en het regionale niveau van arbeidsmarktbeleid elkaar letterlijk en ­figuurlijk tegemoetkomen en nieuwe verbindingen worden aangegaan. Daarmee worden middelen samengebracht en kennis gedeeld. Het centrale niveau van arbeidsmarktbeleid en arbeidsverhoudingen, zeg maar de ‘oude’ polder, kan door de daadkrachtige en multi-stakeholders aanpak van de regio worden geïnspireerd om oude (pat)stellingen te verlaten en onwenselijke scheidslijnen uit te vlakken. Daarmee ontstaat niet alleen een procesmatige, maar ook inhoudelijke new deal voor de arbeidsmarkt. Regio’s kunnen nog steeds baat hebben bij landelijke kaders en strategieën, mits flexibel en adaptief, ook omdat de regionale schaal beperkingen kent en de kennisbasis en organisatie nog niet overal even sterk zijn ontwikkeld.

Essentiële rol

Er zijn intussen positieve handreikingen te zien, die in de richting van een new deal wijzen. Het Rijk komt met regiodeals en bewindslieden zijn opvallend vaker in de regio te vinden. Landelijke sectoren, in het bijzonder hun scholings- en ontwikkelingsfondsen, laten steeds meer merken dat zij verantwoordelijkheid willen dragen voor scholing en intersectorale mobiliteit op regioniveau. Ook de SER benoemt de essentiële rol van de regio en is met ze in gesprek. Het onlangs hernieuwde landelijk Techniekpact is voorbeeldig constructief vormgegeven door de regio’s, de Rijksoverheid, werkgevers, werknemers, topsectoren en onderwijs.

De regio’s van hun kant komen met regionale akkoorden op het gebied van scholing en talentontwikkeling. Die akkoorden, zoals het Leve(n)lang Gelders Vakmanschap, de ‘Keep on Learning’ campagne van de regio AgriFood Capital, het Aanvalsplan ‘Zo WERKT Limburg!’, onlangs het Brainport Eindhoven Talent & Skills-akkoord en de New Deal voor de arbeidsmarkt van Brainport Network in heel Zuidoost Nederland dat op woensdag 27 juni  wordt afgesloten, zijn heel uitnodigend naar Rijk, werkgevers- en werknemersorganisaties en sectoren toe.

Nu moeten we nog een mooie werktitel zoeken voor dit nieuwe en veelbelovende samenwerkingsmodel. ‘Poldermodel’ dekt de lading niet waar het om zandgrond en löss gaat. ‘Overlegeconomie’ maakt de hedendaagse actiegerichtheid onvoldoende duidelijk.

Ik schrijf graag een prijsvraag uit.

Ton Wilthagen is hoogleraar ­Arbeidsmarkt aan Tilburg University en lid bestuur Brainport Network.

Bron: Brabants Dagblad

 

Lees hier meer over de New Deal voor de Arbeidsmarkt

Meer nieuws